Balans

(bedragen x €1.000)

Activa

31-12-2016

31-12-2015

Passiva

31-12-2016

31-12-2015

Vaste activa

Vaste passiva

Immateriele vaste activa

Eigen vermogen

Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio

Algemene reserve

9.993.029

12.679.433

Kosten van onderzoek en ontwikkeling

Bestemmingsreserves

22.050.654

18.246.055

Gerealiseerde resultaat

-1.380.078

4.014.652

Sub-totaal immateriele vaste activa

Sub-totaal eigen vermogen

30.663.605

34.940.140

Materiële vaste activa

Voorzieningen

Investeringen met economisch nut:

106.700.489

91.982.853

Voorzieningen voor verplichtingen, verliezen en risico's

Gronden uitgegeven in erfpacht

475.018

475.018

Van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden

1.933.530

1.456.644

Overige investeringen met economisch nut

Egalisatievoorzieningen

Investeringen met economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven

7.964.877

5.425.574

Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut

1.904.510

1.528.524

Sub-totaal materiële vaste activa

117.044.894

99.411.969

Sub-totaal voorzieningen

1.933.530

1.456.644

Financiële vaste activa

Vaste schulden met een rentetypische looptijd van één jaar of langer

Kapitaal verstrekkingen aan:

134.736

134.736

Onderhandse leningen van:

Deelnemingen

Binnenlandse banken en overige financiële instellingen

79.152.444

63.682.469

Leningen aan:

Binnenlandse bedrijven

- woningcorporaties

9.135.611

9.425.961

- overige verbonden partijen

954.830

1.145.797

Deelnemingen

Buitenlandse banken, instellingen en overige sectoren

Overige langlopende leningen u/g

1.757.594

1.606.329

Door derden belegde gelden

Overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer

Waarborgsommen

47.944

42.689

Bijdragen aan activa in eigendom van derden

2.032.067

2.115.994

Sub-totaal financiële vaste activa

14.014.838

14.428.817

Sub-totaal vaste schulden één jaar of langer

79.200.388

63.725.158

Totaal vaste activa

131.059.732

113.840.786

Totaal vaste passiva

111.797.523

100.121.942

Vlottende activa

Vlottende passiva

Voorraden

Netto vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan één jaar

Onderhanden werk, waaronder bouwgronden in exploitatie

1.762.984

4.519.090

Kasgeldleningen aangegaan bij openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a van de Wet financiering decentrale overheden

Gereed product en handelsgoederen

5.560

6.381

Banksaldi

11.199.096

16.280.512

Niet in exploitatie genomen bouwgronden

122.147

Overige schulden

17.741.727

17.728.044

Overige kasgeldleningen

25.000.000

Sub-totaal voorraden

1.768.544

4.647.618

Sub-totaal schulden korter dan één jaar

53.940.823

34.008.556

Uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar

Overlopende passiva

Vorderingen op openbare lichamen

10.780.627

11.706.403

De van de Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren

5.181.108

6.595.537

Overige uitzettingen

4.000

4.000

Overige vooruitontvangen bedragen die ten bate van volgende begrotingsjaren komen

1.065.527

1.369.390

Overige vorderingen

11.437.118

10.805.140

Verplichtingen die in het begrotingsjaar zijn opgebouwd en die in een volgend begrotingsjaar tot betaling komen met uitzondering van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume

Sub-totaal uitzettingen korter dan één jaar

22.221.745

22.515.543

Sub-totaal vlottende passiva

6.246.635

7.964.927

Liquide middelen

Kassaldi

25.081

9.952

Banksaldi

16.803.483

1.021.312

Sub-totaal liquide middelen

16.828.564

1.031.264

Overlopende activa

De van de Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen die ontstaan door voorfinanciering op uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel

Overige nog te ontvangen bedragen

15.966

60.214

Vooruitbetaalde bedragen die ten laste komen van volgende begrotingsjaren

90.430

Sub-totaal overlopende activa

106.396

60.214

Totaal vlottende activa

40.925.249

28.254.639

Totaal vlottende passiva

60.187.458

41.973.483

Totaal generaal

171.984.981

142.095.425

Totaal generaal

171.984.981

142.095.425

Gewaarborgde geldleningen

618.474

715.528

Grondslagen voor waardering van activa en passiva

Vanaf boekjaar 2004 geldt voor het opstellen van de jaarrekening de verslaggevingseisen zoals deze zijn opgenomen in het 'Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV)'.

Wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening
De jaarrekening is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten daarvoor geeft.

Waardering activa:

1 Vaste Activa

1.1 Immateriële activa

Volgens het BBV is het alleen mogelijk de volgende immateriële vaste activa te activeren:
- kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio
- kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief.

De afschrijvingstermijn voor kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio loopt parallel aan de looptijd van de geldlening. De kosten van onderzoek en ontwikkeling dienen in maximaal 5 jaar te worden afgeschreven.

In de raadsvergadering van 5 november 2008 is de nota 'Waarderings- en afschrijvingsbeleid 2008 gemeente Tiel' vastgesteld. Hierin is opgenomen dat immateriële activa niet geactiveerd wordt, maar dat deze ineens ten laste van de exploitatie wordt gebracht. De nota is in 2013 geactualiseerd.

1.2 Materiële vaste activa

Het BBV maakt onderscheid tussen:
- investeringen met een economisch nut
- investeringen met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven
- investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.

Investeringen met een economisch nut
Deze investeringen zijn verhandelbaar en/of kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Ze worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs (verkrijgings- of vervaardigingsprijs), verminderd met eventuele bijdragen (subsidies) van derden (= bruto methode).

Over de investeringen wordt, rekening houdend met de verwachte economische gebruiksduur, volgens de lineaire methode afgeschreven, tenzij er tegenover de jaarlijkse kapitaallasten jaarlijks gelijkblijvende inkomsten staan ter dekking van de kapitaallasten; dan wordt op basis van gelijkblijvende annuïteit afgeschreven. Met afschrijven wordt begonnen in het eerste dienstjaar na ingebruikname van de investering. Vanaf dat moment vindt ook doorbelasting van de rente naar de exploitatie plaats. Aan investeringen met een economisch nut die groter zijn dan € 500.000 wordt rente toegerekend. De rente wordt achteraf toegerekend over de gemiddelde boekwaarde van dat jaar. Het renteomslagpercentage van het desbetreffende jaar wordt hierbij gehanteerd. Voor de afschrijvingstermijnen zie tabel op de volgende bladzijde.
Aan investeringen met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven die groter zijn dan € 500.000 wordt geen rente toegerekend. In het vastgestelde GRP wordt geen rente toegerekend aan deze projecten.

Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut
Deze investeringen zijn niet verhandelbaar en kunnen niet rendabel gemaakt worden. Voorbeelden hiervan zijn wegen, bruggen en openbaar groen. Deze investeringen worden, voorzover ze niet gedekt worden uit bijdragen van derden of reserves,
geactiveerd tegen de historische kostprijs. De afschrijvingstermijn is maximaal 15 jaar.
Het is toegestaan deze investeringen versneld of extra af te schrijven mits:
- het resultaat van de jaarrekening positief is
- de algemene weerstandsreserve zich boven het vastgestelde minimumniveau bevindt.

Wijze van afschrijving
De afschrijving is in principe lineair. Met afschrijven wordt begonnen het eerste dienstjaar na ingebruikname van de investering.
Afschrijvingstermijnen
Deze zijn als volgt te rubriceren:
periode van afschrijving
(in jaren)
Materiële vaste activa
Erfpachtsgronden 0
Gronden en terreinen 0
Bedrijfsgebouwen en woonruimten 40-50
Grond-, weg- en waterbouwkundige werken economisch nut 5-60
Grond-, weg- en waterbouwkundige werken waarvoor ter bestrijding
van de kosten een heffing kan worden geheven’ 1-60
Vervoermiddelen 6-10
Machines, apparaten en installaties 5-25
Overige materiële vaste activa 3-30

1.3 Financiële vaste activa

De deelnemingen zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs/nominale waarde.

De verstrekte geldleningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde (verstrekte waarde verminderd met de aflossingen).

De bijdrage aan activa in eigendom van derden wordt afgeschreven volgens de termijn die geldt in bovenstaande tabel voor de desbetreffende activa.

2 Vlottende activa

2.1 Voorraden

Zowel de nog niet in exploitatie genomen gronden als de reeds in exploitatie genomen gronden worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs, vermeerderd met bijgeschreven exploitatiekosten en verminderd met (eventuele) opbrengsten wegens grondverkopen en bijdragen.

Bij de waardering van zowel de voorraad in exploitatie als de nog niet in exploitatie genomen gronden is rekening gehouden met te verwachten verliezen op complexen middels een verliesvoorziening. Deze is in mindering gebracht op de boekwaarde van de gronden. De verliesvoorziening voor de grondexploitatie is bepaald op basis van netto contante waarde.

Voor een ander gedeelte dat niet onder de verliesvoorziening valt, zijn andere dekkingen aanwezig (WOZ-waarden van panden).
De magazijnvoorraden worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs/aanschafwaarde.

2.2 Vorderingen/vlottende schulden

De vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde, onder aftrek van een voorziening voor dubieuze debiteuren.

De vlottende schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

3 Reserves en voorzieningen

3.1 Reserves

Het BBV kent een scherp onderscheid tussen reserves en voorzieningen. De raad kan aan een bepaalde reserve een bestemming geven. Binnen de reserves kan het volgende onderscheid gemaakt worden:

- algemene weerstandsreserve
- overige bestemmingsreserves.

Er wordt geen rente toegevoegd aan reserves tenzij de reserve dient ter dekking van kapitaallasten. Het rentepercentage dat in dit geval wordt gehanteerd om de rente toe te voegen betreft het percentage dat wordt gebruikt voor de berekening van kapitaallasten van het actief.

3.2 Voorzieningen

Bij voorzieningen gaat het om (on)zekere verplichtingen die in de toekomst een schuld (kunnen) worden. Daarnaast kan een voorziening gevormd worden voor gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren. Daarnaast worden de van derden (niet zijnde Europese en Nederlandse overheids-lichamen) verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden (geoormerkte gelden) onder de voorzieningen opgenomen.
De commissie BBV heeft in november 2014 een geactualiseerde notitie riolering gepubliceerd met daarin een aantal stellige uitspraken ten aanzien van de verslaglegging.

De voorzieningen worden tegen nominale waarde gewaardeerd en er wordt geen rente aan toegevoegd. De voorzieningen dubieuze debiteuren, verliesvoorziening grondexploitatie en voorziening woonwagens zijn direct in mindering gebracht op de betreffende activaposten, omdat dit een correctie op de waarde van de vlottende activa is.

Grondslagen resultaatbepaling
De baten en lasten worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Baten en winsten worden slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het begrotingsjaar, worden in acht genomen indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Dividendopbrengsten van deelnemingen worden als bate genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar wordt gesteld.